Een flessenrek met 337 woningen
Een dorp op poten
Eén dag later, tweede halte. Waar La Tourette stilte is, is dit een dorp. De Unité d’habitation in Marseille — la Cité Radieuse — is 135 meter lang, 24 meter breed en 56 meter hoog, en staat op pilotis. De grond eronder blijft vrij: je loopt gewoon onder het gebouw door naar de inkom.
Een flessenrek
Le Corbusier noemde het principe zelf een casier à bouteilles, een flessenrek. Eerst een betonnen raamwerk van liggers en stijlen — hij noemde dat de kunstmatige grond — en daarin worden de woningen apart geschoven, als flessen in een rek. Op de gevel zie je die vakken staan, elk met een open buitenruimte in kleur.
Waarom er maar om de drie verdiepingen een gang is
De meeste appartementen lopen dwars door het gebouw heen, van de ene gevel naar de andere. Licht van twee kanten dus, ochtendzon én avondzon in één woning.
Dat kan omdat de woningen in elkaar grijpen. Elk appartement ligt over twee niveaus, en ze zijn zo geschoven dat de kamer aan de ene kant van een gang bij de woning eronder hoort, en de kamer aan de overkant bij de woning erboven. Daardoor is er maar om de drie verdiepingen een gang nodig.
Gang is trouwens Le Corbusiers woord niet. Hij noemde ze rues intérieures: binnenstraten. Post en boodschappen uit de winkels van het gebouw worden er rondgebracht — en de kleuren en de brievenbussen maken er ook echt iets anders van dan een hotelgang.
Drie modules, 337 woningen
Er zijn 337 woningen in 23 types, en die 23 zijn niet 23 keer opnieuw ontworpen. Ze komen uit acht combinaties van drie standaardmodules: één met inkom, keuken en woonkamer, één met de ouderslaapkamer, één met de kinderkamers. De maatvoering komt uit de Modulor.
Het interieur gaat even ver. De keuken is een open baropstelling die wie kookt in contact houdt met de tafel, en ze is gemaatvoerd op de rode reeks — bij Le Corbusier de reeks van wat je met je lichaam meet. Een werkblad en een kastdeur volgen daar dus dezelfde logica als de hoogte van de kamer. MoMA en LACMA hebben er allebei een integrale keuken uit staan. Jean Prouvé werkte mee aan de binnentrap van de duplexwoningen.
De straat binnenin
Halverwege het gebouw zit een echte straat, met winkels, een boekhandel en een hotel. Geen galerij aan de buitenkant maar een straat ín het volume, met daglicht van opzij en betonnen banken tegen de gevel.
Daar hebben we gegeten, in Le Ventre de l’Architecte — genoemd naar Peter Greenaways film The Belly of an Architect. Het hoort bij het hotel dat op de derde straat van het gebouw zit; op de deur staat gewoon “3ème étage”. Je kijkt er uit over de Middellandse Zee.
Het dak
En dan het dak, dat het beste stuk is. Een atletiekpiste, een openluchttheater, een gymzaal, en een kleuterschool met een plonsbad — die school werkt nog steeds. Ertussen staan de ventilatieschouwen als sculpturen.
De gymzaal is dat gewelfde volume met de gekleurde tegels. Sinds 2013 huist die een kunstcentrum met een naam die hier wel heel goed valt: MaMo — Marseille Modulor.
De schouwen zijn puur beton, en toch is er niets aan dat je een technisch onderdeel zou noemen. Ze staan op het dak zoals een toren op een plein staat: je loopt eromheen, je gaat er in de luwte van zitten, en ze werpen de hele dag een andere schaduw over de tegels.
En dan is er het uitzicht. Aan de ene kant de kalkstenen bergkammen achter de stad, aan de andere de Middellandse Zee. Zesenvijftig meter boven de boulevard staat er niets meer tussen — en dan valt de vergelijking met dat schip pas echt op haar plek. Je staat niet op een dak, je staat aan dek.
Wat Le Corbusier hier wilde
De Unité is bedacht als antwoord op de woningnood na de oorlog, maar het idee komt van ergens anders. Le Corbusier bezocht als jonge man de kartuis van Ema bij Florence, en wat hem daar trof was de combinatie: elke monnik een eigen cel met eigen buitenruimte, en daaromheen alles gedeeld.
Dat is precies wat hij in Marseille probeert: een onafhankelijke woning binnen een collectief gebouw. Hij bouwde er vijf — Marseille, Rezé, Berlijn, Briey en Firminy. Marseille was de eerste, en staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
En het verklaart waarom de twee gebouwen van deze reis bij elkaar horen: een klooster en een woonblok, met dezelfde vraag eronder.
En zijn vijf punten?
Le Corbusier formuleerde in 1927 vijf punten voor een nieuwe architectuur: pilotis, dakterras, vrije plattegrond, vrije gevel en het lange raam. Hier zijn ze alle vijf aan het werk, en het flessenrek is precies waarom.
Omdat het betonnen raamwerk alles draagt, hoeft geen enkele wand nog iets te dragen — dat is de vrije plattegrond, en die maakt 23 woningtypes in één skelet mogelijk. Om dezelfde reden draagt de gevel niets, en kan die ingevuld worden met open buitenruimtes en betonnen zonwering in plaats van met muur: de vrije gevel. Het gebouw staat op pilotis en het dak is een plein.
Alleen het lange raam is van vorm veranderd. Geen doorlopende horizontale strook meer over de hele gevel, maar glas over de volle breedte van elke buitenruimte. De vijf punten zijn hier niet losgelaten; ze zijn volwassen geworden.
Wat vastligt is de maat. Wat vrij blijft is de vorm.
Waarom dit ons systeem is
Drie modules, acht combinaties, 23 woningtypes, 337 woningen. Dat is geen sjabloon, en het is ook geen 337 keer opnieuw beginnen — het is een meetinstrument waarmee je varieert zonder dat het uit elkaar valt.
Dat is exact wat wij met een website doen. Het raster en de twee reeksen liggen vast; welke secties er zijn en hoe de pagina opent, wordt elke keer opnieuw bedacht. Hoe dat werkt staat op onze design-systeempagina.
Zie ook onze post over La Tourette, de dag ervoor.