Een dagje Parijs met Le Corbusier
Poissy, in de ochtend
Villa Savoye staat in Poissy, een half uur buiten Parijs. Le Corbusier en zijn neef Pierre Jeanneret bouwden ze tussen 1928 en 1931; bewoonbaar was ze pas in 1931. Het is het gebouw waarin zijn vijf punten allemaal tegelijk staan, en in hun zuiverste vorm: het volume rust op pilotis, het dak is een tuin, de plattegrond is vrij omdat geen enkele wand draagt, de ramen lopen als een band over de gevel, en die gevel draagt niets.
Onderaan zit een detail dat je pas ziet als iemand het zegt. De begane grond loopt in een bocht — en die bocht is de draaicirkel van een auto. Le Corbusier tekende hem naar de draaistraal van een wagen uit 1929, zodat je onder het gebouw kon doorrijden en zo de garage in draaien. De plattegrond van die verdieping is dus letterlijk de baan die een auto beschrijft.
Binnen loopt in het midden van het huis een helling, geen trap, van de inkom tot op het dak. Le Corbusier noemde dat de promenade architecturale: je wandelt het huis omhoog in plaats van het te beklimmen, en omdat je traag draait verandert het uitzicht bij elke meter.
Vlak ernaast staat een wenteltrap, en dat is geen dubbel gebruik maar een tweede route. De helling was voor de bewoners, de trap voor het personeel — twee ingangen, twee manieren naar boven, in hetzelfde huis. In de hal ertussen staat een wasbak op een kolom.
Het bad
De badkamer is van vloer tot plafond betegeld, en langs de rand van het bad ligt een gemetselde ligbank in kleine blauwe tegels. Geen los meubel: het is gemetseld waar het staat, in één golvende beweging — dezelfde golf als de ligstoel die in diezelfde jaren in zijn atelier ontstond.
Ze ligt zo dat je er vanaf zó in het verzonken bad glijdt. En de kamer ernaast is het boudoir van mevrouw Savoye, met een blad onder het raam dat als schrijftafel dient en een deur die rechtstreeks op de hangende tuin uitkomt.
De keuken
De keuken is lang en licht, met werkbladen in wit tegelwerk onder de ramen, een dubbele spoelbak en een werktafel in het midden. In de hangkast zit een doorgeefluik dat aan de andere kant opengaat, zodat je borden rechtstreeks naar de eetkamer doorgeeft zonder de keuken uit te komen.
Dat luik is meer dan een handigheid. Twintig jaar later staat in de keukens van de Unité in Marseille hetzelfde idee, alleen dan doorgedreven tot een open baropstelling die wie kookt in contact houdt met de tafel. Hier zie je de eerste versie ervan.
Het dak
Het dakterras zit hier op twee niveaus. Op de woonverdieping ligt een omsloten buitenruimte, een hangende tuin, waar je vanuit de woonkamer door een glazen wand op uitkijkt en waar het boudoir op uitgeeft. De helling loopt er links langs verder — vanaf hier buiten, in de open lucht.
Helemaal bovenaan eindigt ze op het solarium: een terras afgeschermd door gebogen muren, gebouwd rond het idee dat zon en buitenlucht gezond zijn. In een van die muren zit een opening zonder glas — de vorm van een raam, maar dan naar de lucht en de bomen. Ervoor een betonnen bank.
Dat is het dakterras als vijfde punt, maar dan letterlijk gemeend: het dak is geen afdekking maar een kamer zonder plafond, en dat raam hangt er om het landschap in te kaderen.
Bijna gesloopt
Het huis heeft het maar net gehaald. Toen de stad Poissy het in 1958 verwierf, dreigde sloop. Architecten kwamen in verzet, Le Corbusier zelf bemoeide er zich mee, en in 1965 werd het beschermd — het eerste gebouw dat werd gerestaureerd terwijl de architect nog leefde. Sinds juli 2016 staat het samen met zestien andere werken van hem op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
Parijs, na de middag
Terug in de stad, in het zestiende arrondissement, staat Villa La Roche — gebouwd tussen 1923 en 1925, ook door Le Corbusier en Pierre Jeanneret. Vijf jaar vóór Savoye, en twee jaar vóór die vijf punten op papier stonden.
De opdrachtgever was Raoul La Roche, een bankier uit Bazel die in 1911 naar Parijs verhuisde. Daar raakte hij bevriend met Le Corbusier en met de schilder Amédée Ozenfant — samen de bedenkers van het purisme.
Wat die vriendschap opleverde is opmerkelijk: dezelfde twee mannen die zijn huis ontwierpen, kochten ook zijn schilderijen. Tussen 1921 en 1928 bouwden ze als zijn adviseurs én zijn tussenpersonen een verzameling op van zo’n honderdzestig werken — Braque, Gris, Léger, Picasso. Veel daarvan kwam van twee veilingen van in beslag genomen kunsthandels: die van Daniel-Henry Kahnweiler in 1921 en die van Wilhelm Uhde in 1923, door de Franse staat aangeslagen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
La Roche vroeg dus geen huis met een muur voor kunst erbij. Hij vroeg een huis in twee delen: een galerij voor de collectie, en daarnaast zijn woning. Zijn verzameling ging later naar musea in Zwitserland en Frankrijk; in het huis zit vandaag de Fondation Le Corbusier.
Een huis om schilderijen in te hangen
Die galerij is het hart van het huis: een gebogen volume waar opnieuw een helling doorheen loopt, langs de muren waaraan de collectie hing. Het huis is dus niet gebouwd om in te wonen en dan maar iets op te hangen — het is gebouwd rond het kijken.
Kleur
En dan de kleur, die je op foto’s van Le Corbusier zelden ziet. Ze is hier niet decoratief en ook niet toevallig: hij werkte met een eigen palet.
In 1931 schreef hij daarover het essay La polychromie architecturale, en in datzelfde jaar bracht hij met de Zwitserse behangfabrikant Salubra een reeks kleurenklavieren uit: 43 tinten, verdeeld over twaalf kaarten waarop je met een schuifje combinaties kon isoleren. In 1959 kwamen er nog eens twintig fellere bij. Samen 63 kleuren — zijn volledige palet, en hij bleef er zijn hele leven uit putten.
Het waren geen smaakkeuzes maar werkinstrumenten. Blauw en groen doen een wand terugwijken en geven afstand; rood en warme tinten zetten hem juist vast en bevestigen precies waar hij staat. In de arbeiderswijk in Pessac schilderde hij daarom smalle straten in wisselende kleuren, zodat ze breder lijken. Kleur is volgens hem “een even krachtig middel van de architectuur als het plan en de doorsnede”.
Dat verklaart wat je hier ziet. De eetkamer is zalmroze: een warme tint die de wand naar je toe haalt en de kamer aftekent. Elders loopt er een blauwe balk door het volume, die net wegduwt. Wit is de uitzondering, niet de regel.
Al kwam dat systeem pas ná dit huis op papier. La Roche is van 1925, de klavieren van 1931 — dit is dus een van de plekken waar hij het nog aan het uitzoeken was. Hetzelfde patroon als vanochtend, alleen dan met kleur in plaats van met vijf punten.
Wat we eruit meenamen
De dag liep achterstevoren. ’s Ochtends stonden we in het huis waarin alles klopt en waarin de regels compleet zijn uitgesproken. ’s Namiddags in het huis van vijf jaar eerder, waar diezelfde regels nog aan het ontstaan waren.
Dat is geen onhandige planning maar een goede volgorde. Je ziet eerst het antwoord en daarna de vraag, en dan pas merk je hoeveel er in dat eerste huis is weggelaten om het zo helder te krijgen.
Wij bouwen websites, geen huizen. Maar wat we meenemen is niet de stijl — het is de gedachte eronder: dat een vorm ergens vandaan hoort te komen. Een plattegrond die de draaicirkel van een auto volgt. Een kleur die uit een vaste set van drieënzestig komt. Dat is geen versiering, dat is een beslissing waarvan je de herkomst kunt aanwijzen.